Kinderhuissingel

ALFRED GUTTMANN

21 februari 1931 (Duisburg) – 10 september 1943 (Auschwitz)

KINDERHUISSINGEL 88

Alfred is de jongste zoon van Hermann Guttmann (Karbach 1888-Duisburg, 29 dec. 1938) en Selma Löwenwerther/Löwenwärter (Castrop-Rauxel, 1893-Duisburg, 19 juni 1937). Zijn broer Walter (5 juni 1928-Israël 2014) was bijna drie jaar eerder geboren.

Als Alfred Guttmann zes jaar oud is, overlijdt zijn moeder. Vader Hermann Guttmann heeft in Duisburg een metaalhandel. In de Eerste Wereldoorlog vecht hij aan het front en wordt onderscheiden. Met die militaire achtergrond vreest hij aanvankelijk de opkomst van de Nazi’s niet. De anti-joodse maatregelen dwingen hem toch om zijn zaak in 1938 te verkopen. Na de Kristallnacht van 9 november 1938 in Duisburg wordt Hermann gevangengezet in Dachau. Hoewel hij daaruit wordt vrijgelaten in december 1938, overlijdt hij nog diezelfde maand als gevolg van de doorstane ontberingen en de daar opgelopen bloedvergiftiging. Hoewel Hermann Guttmann zich kort na het overlijden van zijn echtgenote had verloofd met Selma Frank (1904-New York 1977), blijkt het voor haar en de in huis wonende grootmoeder Betty Löwenwärter-Löwenstein (1857-1945) onmogelijk om de twee kinderen in Nazi-Duitsland een goed en veilig thuis te bieden. De grootmoeder wordt zelf in 1942 op transport gezet naar Theresienstadt en later op een transport naar het concentratiekamp Maly Trostinec in het huidige Wit-Rusland. Daar is zij vermoord. In Duisburg heeft Alfreds broer Walter voor haar laatste adres Mainstrasse 15 een struikelsteen laten plaatsen. Selma overleeft de oorlog in Zwolle en emigreert later naar de Verenigde Staten.

Begin 1939 wordt bezien of de kinderen elders, buiten Nazi-Duitsland, kunnen worden opgevangen. De heer A. Goldschmidt bepleit in een brief van 18 april 1939, gericht aan het Joods weeshuis in Rotterdam, om ze daar op te vangen. Ook de dan 83-jarige grootmoeder van moederszijde ziet de kinderen daar graag opgenomen. Goldschmidt verwijst in zijn brief naar drie kennissen in Rotterdam en Den Haag die de vader Hermann Guttmann goed kenden en opname van de kinderen kunnen aanbevelen. Tenslotte zet de Duisburgse rabbijn Manasse Neumark (1875-Theresienstadt 1942) zich voor Alfred en Walter in. Een en ander leidt tot toestemming voor opname in het Joods weeshuis. Alfred komt vervolgens samen met zijn oudere broer Walter met een kindertransport vanuit Keulen, georganiseerd door de bekende Truus Wijsmuller, naar Nederland. Tussen Alfreds aankomst in Nederland in 1939 en zijn vertrek naar Westerbork trekt hij langs verschillende adressen.

Eind maart 1939 verblijven de broers in quarantaine, waarna zij op 24 april 1939 een plek krijgen in het Joods weeshuis in Rotterdam. Vanuit dit weeshuis worden zij geplaatst in twee verschillende pleeggezinnen in Haarlem: Walter bij het pleeggezin Abraham Schijveschuurder-Eliza Kahn (vermoord in Auschwitz, respectievelijk 31 augustus en 8 april 1944). Hun kinderen Joseph ‘Joop’ (1923-Israël, 1997) en Louis ‘Loek’ (1928-Israël, 2015) overleven de oorlog. Alfred Guttmann wordt geplaatst bij het pleeggezin Eliazar ‘Eli’ Dasberg-Bertha de Vries (dochter van de bekende Haarlemse rabbijn Simon Philip de Vries) op het adres Wilhelminastraat 7.

Het gezin Dasberg heeft drie eigen kinderen: Samuel, Simon Philip en Dina Eva. Omdat Dasberg werk krijgt bij de Nedlloyd in Amsterdam en daarvoor moet verhuizen, komt Alfred in augustus 1940 in een nieuw pleeggezin in Haarlem. Dit wordt het gezin van tandarts Joseph Rodrigues Pereira (1895-1983)  en Sophia Colaçao Osorio (1902-1999) op het adres Kinderhuissingel 88. Het echtpaar Rodrigues Pereira telt drie kinderen:  Alphons Samuel ‘Phons’, Reina en Rav Hans ‘Haim’ (1931-Israël 2020). Laatstgenoemde is het jongste kind en van dezelfde leeftijd als Alfred. Hij wordt later rabbijn in Amsterdam. Van Phons krijgt Alfred joodse les. De ouders van de pleeggezinnen zijn actief in diverse joodse organisaties.

De gezinnen Dasberg en Rodrigues Pereira zijn orthodox, terwijl Alfred en zijn broer een liberaal joodse opvoeding gewend waren. Walter schrijft over wandelingen en tochtjes in en om Haarlem, vaak in gezelschap van kinderen van hun pleeggezinnen. Alle leden van de gezinnen Dasberg en Rodrigues Pereira overleven de oorlog. Na de oorlog vertelt Alfreds pleegmoeder aan Walter dat zij niet op zichzelf terugziet als de beste, warme opvoeder voor Alfred en haar eigen kinderen. Alfred gaat naar de Floraschool (later De Haarlemmerhout en nu basisschool Bos en Vaart), Florapark 14 in Haarlem. In het schooljaar 1940-’41 zit hij in de derde klas.

Alles verandert in in het voorjaar van 1942. Op 6 mei 1942 komen de heren Stork en Benkemper, ambtenaren van de Einsatzstab Rosenberg, langs op het adres Kinderhuissingel 88 om de goederen van Alfred Guttmann te inventariseren. Ze zijn snel klaar en concluderen dat de inwonende 11-jarige Guttmann behalve wat kleding niets bezit. Alfred moet na mei 1942 net als alle andere joodse Duitse kinderen snel uit de kuststreek verhuizen. Hij woont in Amsterdam daarna op verschillende adressen: vanaf juli 1942 is hij opgenomen bij het echtpaar David de Torres (1883-1944) en Margaretha Rodrigues Pereira (1886-Auschwitz, 7 juli 1944) en hun zoon Haim Abraham ‘Bram’ (1927-1944) op het adres Nieuwe Kerkstraat 121. Alfreds nieuwe pleegmoeder is een zus van Joseph Rodrigues Pereira. Als enige van de broers en zussen Rodrigues Pereira is zij in de oorlog vermoord. Van 23 oktober 1942 is er nog een briefkaart van Alfred bewaard, gericht aan de familie Rodrigues Pereira in Haarlem. Alfred schrijft aan zijn “Lieve Vader en Moeder” dat hij de aanstaande sabbath “haftarah” (lezing uit de Profeten) mag zeggen “bij een sjoeltje hier dicht in de buurt”. Hij logeert bij “Oom, Tante en Bram (De Torres)” die naar hij zegt dan nog gesperrt (vrijgesteld van transport) zijn. Alfred schrijft dat op school natuurkunde nu zijn favoriete vak is. Van Bram krijgt Alfred thuis joodse les en dus hoeft “Phons” Rodrigues Pereira zich daar geen zorgen over te maken.

Van 1 december 1942 tot 20 juni 1943 verblijft Alfred bij het gezin van Jacob Granaat (1909-Auschwitz, 10 september 1943), eerst op het adres Niersstraat 1 III en vanaf 4 mei 1943 op het adres Retiefstraat 39 III. Volgens zijn broer Walter zorgden Granaat en zijn echtgenote Aleida Groen, eerder werkzaam als leidster in een kindertehuis, door bemiddeling van de Joodse Raad en tegen betaling voor verschillende joodse weeskinderen. Naast zijn echtgenote was Jacob uit eigen ervaring vertrouwd met het opgroeien als wees: hij groeide op in het joodse jongensweeshuis in Amsterdam.

Op 20 juni 1943 wordt Alfred Guttmann bij de grote razzia in Amsterdam samen met 5.500 andere joden opgepakt en dezelfde dag, net als het echtpaar Granaat, overgebracht naar Kamp Westerbork.

Alfreds broer Walter woont in 1942-’43 in Amsterdam bij het gezin van Samuel Notowitz/Notowicz (1885-1973). Zij bezitten certificaten voor emigratie naar Palestina en Hondurese paspoorten. Walter heeft een enigszins beschermde status dankzij vervalsingen van die papieren. Samen met dit gezin wordt hij eind september 1943 geïnterneerd in Westerbork - waar hij Jenny Salomonson-Gestetner nog spreekt (zie voor haar verhaal en dat van haar man Alfred Sallie Salomonson, Eindenhoutstraat 38, elders op de website) – en vervolgens is hij overgebracht naar Bergen-Belsen waar hij langere tijd verblijft. In Bergen-Belsen ondervindt Walter veel steun van de familie Dasberg: het eerste pleeggezin van zijn broer Alfred in Haarlem. Vanuit dit laatste kamp gaat Walter mee in de trein met het zo genaamde ‘Verloren transport’ op weg naar Theresienstadt en wordt onderweg op 23 april 1945 bevrijd door de Russen bij Tröbitz. Ook alle leden van het gezin Dasberg, in bezit van certificaten voor Palestina en paspoorten voor Paraguay, maken deel uit van dit ‘Verloren transport’ en ook zij overleven de oorlog. De families Notowitz en Dasberg  kregen hun paspoorten en certificaten dankzij de Poolse diplomaat Aleksander Ladoś die in samenwerking met de betrokken landen en joodse organisaties vanuit de Zwitserse hoofdstad Bern veel Nederlandse joden zo hielp om te overleven. Hoewel velen stierven door ontberingen in Bergen-Belsen en tijdens het transport naar Theresienstadt, hadden joden die via die route op transport gingen een veel grotere overlevingskans dan degenen die richting Midden-Europa, Auschwitz en Sobibor gingen. Walter overleeft de oorlog. Hij heeft voor zijn vertrek uit Haarlem papieren en familiefoto’s achtergelaten bij mensen die hij vertrouwt. Na de oorlog krijgt hij ze weer terug; daarom zijn er ook van Alfred en hun ouders verschillende foto’s bewaardgebleven. Walter is in de jaren na de oorlog ernstig ziek met tuberculose. Het dan enig beschikbare en buitengewoon kostbare antibioticum, streptomycine, redt zijn leven. Het geld ervoor wordt hem geleend door de familie Rodrigues Pereira.

Op 2 juni 1945 meldt Joseph Rodrigues Pereira in de Nieuwe Haarlemsche Courant,vanaf zijn tijdelijke adres in Heemstede, dat hij binnenkort zijn praktijk zal hervatten; op 23 juli 1945 is het zo ver (Haarlems Dagblad, 19 juli 1945). Het gezin heeft de oorlog in de onderduik overleeft.

In augustus 1945 trekken Joop en Loek Schijveschuurder voorlopig in bij het gezin Rodrigues Pereira (“oom Jo en tante So”). Een jaar later komt er een derde pleegkind bij: Isaac Leo Palache (1926-1996). Joop en Loek Schijveschuurder verhuizen in maart 1947 naar Westerhoutstraat 35, het adres waar zij met hun ouders tussen mei 1934 en februari 1940 al woonden, en in december 1948 vertrekt Isaac Leo Palache naar Amsterdam.

Alfred Guttmann verblijft tussen 20 juni en 7 september 1943 in Westerbork. Op die laatste datum noteert in Westerbork de joodse journalist Philip Mechanicus: “een groot aantal weeskinderen is zonder geleide op transport gesteld”. Alfred is een van die weeskinderen die dan naar Auschwitz vertrekt. Daar is hij direct na aankomst vermoord.


Deportatie uit Westerbork op 7 september 1943.

Vermoord in op Auschwitz 10 september 1943.

Hij werd 12 jaar.

Bronnen: https://www.dokin.nl/database-deceased_children/; Archiefkaart Amsterdam; https://www.pogromnovember1938.co.uk/viewer/fulltext/93973/en/; NIOD, boedelinventarissen; https://www.joodszwolle.nl/guttmann-walter/; Joop Schijveschuurder, Mijn wonder,… (Jeruzalem 1998) p. 36-54, 164, 178; M. Bochow, A. Pretzel (hg.), Ich wollte es so normal wie andere auch. Walter Guttmann erzählt sein Leben. Hamburg 2011; https://instytutpileckiego.pl › The_Lados_List. Philip Mechanicus, In Depot. Dagboek uit Westerbork (Hooghalen/Laren NH 2008) p. 188.


Alfred (links) en zijn broer Walter Guttmann

Gedicht voor Alfred
Voorgedragen bij de onthulling van de Struikelsteen voor Alfred Guttmann.

Ik kijk naar beneden
tussen de stenen blinkt een naam
jouw naam in het messing geschreven
een naam die ik niet kende
verdrinkt in mijn ogen voor even
maar is nu weer duidelijk
voor iedereen te lezen

We staan stil bij jouw leven,
zo jong nog en al op de vlucht, kon je
ook hier niet blijven, moest je gaan
en liet je alles los waaraan je net
betekenis had kunnen geven

een pril leven met nog een toekomst
voor je, dat was je niet gegeven, Oostwaarts
ging je, om net als zovelen nooit meer terug te keren
Maar hier staan we, om je te gedenken
Alfred Jij die hier onder dit dak
een thuis gevonden had voor even

Ik ben blij dat ik je nu ken Alfred en ik verzeker je,
je mag hier zijn en blijven, op deze plek zolang
je wilt. terugdenkend aan de tijd waarin je
werd gezien en gekend

Door: Harald Weverling


HERMAN CALFF
22 juni 1888 (Delft) - 9 juli 1943 (Sobibor)

KINDERHUISSINGEL 104

Hoofd afd. Acquisitie advertenties v/h Alg. Handelsblad / reclameadviseur

JR: Secr. Bureauleider, Lid v/d Kerkeraad van de Joodse Gemeente, lid best. NJ Joles Ziekenh.

Herman Calff was reiziger en trouwde in 1936 met Rika Stoppelman. Zijn broer Leo Calff was gehuwd met een zus van Rika Stoppelman.

Aankomst in kamp Westerbork op 20 juni 1943
Verblijft in barak 57

Deportatie uit Westerbork op 6 juli 1943
Vermoord in Sobibor op 9 juli 1943

Hij werd 55 jaar.

RIKA CALFF-STOPPELMAN
2 mei 1883 (Wildervank) - 9 juli 1943 (Sobibor)

KINDERHUISSINGEL 104

 Gehuwd met Herman Calff

Rika Stoppelman was eerder gehuwd met Mozes Levi Zwartser. Ze zette na het overlijden van haar eerste echtgenoot in 1929 de winkel in fotografische artikelen aan de Grote Houtstraat 3a te Haarlem voort. De winkel was in 1902 opgericht. Zij hertrouwde met Herman Calff in 1936. De winkel werd door de Duitsers in beslag genomen en uiteindelijk opgeheven. Na de oorlog is de winkel weer voortgezet op het zelfde adres door Emil Zwartser (1913). In 1971 werd de winkel verplaatst naar Amsterdam en kreeg een nieuwe naam, Capilux.

Aankomst in kamp Westerbork op 20 juni 1943, verblijft in barak 68

Deportatie uit Westerbork op 6 juli 1943
Vermoord in Sobibor op 9 juli 1943

Zij werd 60 jaar.

JULES ZWARTSER

18 oktober 1909 (Haarlem) - 31 maart 1944 (Midden-Europa)

KINDERHUISSINGEL 104

Vertegenwoordiger/ vertaler

Gescheiden
Aankomst in kamp Westerbork op 3 november 1942

Tijdens een vluchtpoging opgepakt aan de Frans-Spaanse grens en op transport gezet.
Omgekomen in Midden-Europa, uiterlijk 31 maart 1944

Hij werd 34 jaar.  

Vorige
Vorige

Delftlaan

Volgende
Volgende

Duinoordstraat