Roerdompstraat
Margaretha, links, met neefje Jack en zijn moeder op het strand,
circa 1939 (partic. collectie)
MARGARETHA DE WAART-ELJON
29 november 1896 (Amsterdam) – 31 januari 1944 (Auschwitz)
Roerdompstraat 13
Margaretha, ‘Greta’, is een dochter van de diamantslijper Jacob Eljon en van Hanna Kogel. Zij krijgt een opleiding als diamantwerkster. Margaretha woont in Amsterdam maar haar eerste kind wordt geboren in Rotterdam. Daar laat de verloskundige Hendrika Andriëtte Johanna Wildeboer op 14 augustus 1916 de geboorte van Margaretha’s zoontje Max registreren bij de burgerlijke stand. In de marge van die registratie staat in rood vermeld dat de moeder op op 9 februari 1917 de geboorte van haar kind erkent, gevolgd door de erkenning van de vader, Samuel Bloch, op 13 december 1921. Op 19 april 1922 huwt Margaretha in Amsterdam met de bijna 30 jaar oudere, joodse broodbakker Samuel Bloch (1868-1926). Een gelukkig huwelijk is het niet. Ruim een jaar later, bij vonnis van de arrondisementsrechtbank van 22 juni 1923, wordt het huwelijk in Amsterdam door echtscheiding ontbonden.
Op 3 december 1923 wordt een tweede kind van Margaretha geboren. Dit is Maria Martina.
Hoewel dit dochtertje de achternaam Bloch draagt, is zij een dochter van de niet-joodse kapper Hendrikus Josephus Johannes de Waart (Utrecht 1883-Amsterdam 7 sept. 1946). Met hem trouwt Margaretha op 9 juli 1924. De moeder van Margaretha’s tweede man was Maria Martina de Waart-Van Olm. Het tweede kind van Margaretha is dus naar haar vernoemd en daarmee werd indirect ook het vaderschap van Hendrikus de Waart vastgelegd. Kort na het huwelijk van Margaretha met Hendrikus is nog een derde kind geboren: Paula, 7 mei 1925.
Het gezin woont aanvankelijk in Amsterdam. Daarna wordt in 1934 verhuisd naar Velsen. In de jaren 1930 heeft De Waart veel moeite om het zakelijk te redden. Op 4 juni 1935 wordt hij zelfs door de arrondisementsrechtbank Haarlem failliet verklaard. Het is niet zijn eerste confrontatie met de rechterlijke macht: op 15 februari 1911 had de arrondisementsrechtbank Amsterdam hem al eens veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en op 18 maart 1913 veroordeelde de krijgsraad in Haarlem hem tot drie weken militaire detentie vanwege het negeren van een oproep voor actieve militaire dienst.
In 1938 verhuist het gezin De Waart-Eljon naar de Slaperdijkweg 24 in Haarlem, vervolgens in 1939 naar Tesselschadeplein 10 en tenslotte op 8 april 1940 naar Roerdompstraat 13. Volgens de Haarlemse woningkaart wonen in het begin van de oorlog op het adres Roerdompstraat 13 twee personen van het mannelijk en drie personen van het vrouwelijk geslacht. Die registratie bevestigt dat Margaretha en haar man er woonden met (stief-)zoon Max en dochters Maria Martina (‘Riet’) en Paula. De twee laatstgenoemden scholen zich in navolging van hun vader De Waart in het kappersvak.
Bij het gezin De Waart-Eljon voegt zich het neefje Jack Eljon (geb. 2 juni 1937). Dit zoontje van Margaretha’s broer is thuis niet veilig voor transport omdat zijn ouders voljoods zijn. Bij zijn gemengd gehuwde tante ‘Greta’ is hij veiliger en dus wordt hij daar ondergebracht. Kort daarna duiken Jacks ouders onder en zij overleven samen de oorlog. Jacks 17-jarige nicht Rietje ontfermt zich over hem. De buren van het echtpaar De Waart, leden van de NSB, waarschuwen in augustus 1942 dat binnenkort huiszoekingen bij joden zullen plaatsvinden en dat Jack dus gevaar loopt. Het betreft hier de razzia van 25 augustus 1942 toen veel Haarlemse joden de oproep voor het eerste transport vanuit Haarlem negeerden en door huiszoekingen gepoogd werd het aantal weg te voeren joden alsnog te verhogen. Jack werd letterlijk over de schutting gegooid en logeert een aantal dagen bij de NSB buren. Vervolgens wordt door de familie De Waart geconcludeerd dat Jack niet langer veilig is in de Roerdompstraat. Tante Greta vertelt Jack dat hij vanaf nu Henkie Mulder heet. Met hulp van het verzet wordt ‘Henkie’ naar een pleeggezin in Zeist gebracht. Hij overleeft de oorlog in de onderduik maar de slechte en gewelddadige behandeling door zijn pleegouders in Zeist en het gevoel in de steek gelaten te zijn door zijn ouders achtervolgt hem tot ver na de oorlog.
Op 13 februari 1943 wordt op de Haarlemse woningkaart van het echtpaar De Waart-Eljon genoteerd dat zij verhuisden naar Rustenburgerstraat 328 in Amsterdam: op bevel van de autoriteiten die willen dat ook gemengd gehuwde joden geconcentreerd worden in Amsterdam. De status van gemengd gehuwden is relatief veilig, mits zij niet opgepakt worden voor een overtreding. Op 8 september 1943 houden twee medewerkers van de beruchte Colonne Henneicke, de NSB’ers Hendrik Wouter Hofmann en Frederik Willem Koot, Margaretha vlakbij haar woonadres aan. Zij draagt geen jodenster en wordt daarom gevangengezet en later overgebracht naar de Hollandse schouwburg. Ook haar dochter Maria Martina wordt een week in de schouwburg vastgehouden maar weer vrijgelaten als zij aantoont dat haar vader niet-joods is. Vervolgens is Margaretha als gevangene overgebracht naar Kamp Vught. Vanuit dit kamp volgt het transport naar Auschwitz. Daar is zij uiterlijk 31 januari 1944 vermoord.
Direct na de oorlog leidt de arrestatie en dood van Margaretha de Waart-Eljon tot onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van haar tweede echtgenoot De Waart. Aanleiding hiervoor zijn de werkzaamheden van De Waart voor Duitse instanties, zoals drie maanden in 1941 bij de Organisation Todt in Frankrijk en zijn aanmelding in 1943 voor geüniformeerd werk bij de Westdeutscher Wach- und Schutzdienst aan de houthaven in Zaandam. Het is onder andere een verklaring van de echtgenote van zijn stiefzoon Max Bloch die hem vrijpleit van schuld. Het verbaal van die laatste verklaring wordt op 4 augustus 1948 vastgesteld, bijna twee jaar na het overlijden van De Waart.
Deportatie uit Vught op 15 november 1943.
Vermoord in Auschwitz op 31 januari 1944.
Zij werd 47 jaar.
Bronnen: https://ondergedokenalsannefrank.nl/app/eljon.html; Nationaal archief, CABR, diverse inventarisnummers (dossier De Waart). Niod, archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen, inv.nr. 1510c U-Z (Gruppe Henneicke) Ivm goederen van door joden ontruimde woningen.