Sperwerstraat
ABRAHAM MULLER
20 juli 1905 (Groningen) – 30 april 1943 (Midden-Europa)
Sperwerstraat 21
Hij is een zoon van de pakhuisknecht Levie Muller (1874-1943) en Keetje Cohen (1879-1912). Abraham groeit op in Groningen in een gezin met de broers Noach (1916-1943) en Israel (1900-1943). Zowel zijn vader als zijn broers worden in de oorlog vermoord.
Abraham is werkzaam geweest als magazijnknecht en winkelbediende. Op 5 september 1934 huwt hij de Rotterdamse Kaatje Dwinger. Het echtpaar woont vanaf 1935 op het adres Weenaplein 7 in Rotterdam en zij bieden via krantenadvertenties in 1935 en 1937 “bij menschen zonder kinderen”, zoals zij zichzelf typeren, een of twee kamers te huur aan. Van daar wordt op 30 oktober 1940, dan inmiddels met hun in 1938 geboren dochtertje Esther Keetje, verhuisd naar het adres Schie 84 in Schiedam. Ruim drie maanden later volgt op 5 februari 1941 de verhuizing naar het adres Sperwerstraat 21 in Haarlem.
Op 26 augustus 1942 maakt hij met vrouw en dochter deel uit van het eerste transport van Haarlemse joden naar Westerbork. Op zijn kaart van de Joodse Raad geeft hij twee contactpersonen op: D. Heesemans op het adres Sperwerstraat 35 en L. Muller in Groningen, A.P. Fokkerstraat 11A. Met laatstgenoemde is Abrahams vader Levie Muller bedoeld. Hij werd 20 maart 1943 in Sobibor vermoord. Met D. Heesemans gaat het om de koopman Daniël Heesemans, gehuwd met Alida Ravenhorst. Zij wonen in de jaren 1940 en ’50 in de Sperwerstraat op nummer 35.
Kort na het vertrek van het gezin Muller, op 10 september 1942, komen ambtenaren van de Einsatzstab Rosenberg langs om de achtergebleven goederen van het gezin te inventariseren. Deze goederen komen ten goede aan de Duitse autoriteiten. Naast de gebruikelijke gordijnen, stoelen en tafels valt wat kinderspeelgoed van Esther Keetje op: een poppentafel, twee poppenstoeltjes en een poppenkinderwagen.
Het gezin Muller maakt deel uit van het eerste transport van joden vanuit Haarlem naar Westerbork en verder. Vanuit Westerbork vertrekt het gezin Muller op 28 augustus 1942 naar Auschwitz. Muller is waarschijnlijk in Kosel met andere mannen uit de trein gehaald voor dwangarbeid. Hij is daar uiterlijk 30 april 1943 aan bezweken.
Deportatie uit Westerbork op 28 augustus 1942.
Vermoord Midden-Europa 30 april 1943.
Hij werd 37 jaar.
Bronnen: NIOD, 093a Einssatzstab Rosenberg, inv.nr. 41.
KAATJE MULLER-DWINGER
14 december 1906 (Rotterdam) – 31 augustus 1942 (Auschwitz)
Sperwerstraat 21
Kaatje is het derde kind van de politieagent Marcus Dwinger (1876-1939) en Esther Kisch (overl. 1920). Vader Dwinger hertrouwt in 1921 met Jansje van Gigch (1882-Sobibor, 23 april 1943). Kaatje groeit op in Rotterdam. Ze heeft drie zussen en een broer die de kinderjaren overleven. In de oorlog zijn zij net als Kaatje vermoord.
In Rotterdam woont Kaatje enige tijd bij het kinderrijke gezin van Abraham Woudstra en Hester Olman. Zij staat geregistreerd als nicht en heeft waarschijnlijk bij hen gewerkt als hulp in de huishouding. Op 5 september 1934 trouwt Kaatje in Rotterdam met Abraham Muller. Op 6 juli 1938 is daar hun dochter Esther Keetje geboren. Het gezin woont dan op het adres Weenaplein 7. Van daar wordt op 30 oktober 1940 verhuisd naar het adres Schie 84 in Schiedam. Ruim drie maanden later volgt op 5 februari 1941 de verhuizing naar het adres Sperwerstraat 21 in Haarlem. Met haar man en dochter geeft zij gevolg aan de eerste oproep voor Haarlemse joden zich te melden voor transport. Na die oproep van maandag 24 augustus 1942 tot melding op de dinsdag erna aan de Westergracht, volgt het transport in de nacht van 25 op 26 augustus naar Westerbork. Vanuit kamp Westerbork gaat het gezin op 28 augustus door naar Auschwitz. Haar man wordt onderweg voor dwangarbeid uit de trein gehaald. Kaatje reist verder met dochtertje Esther. Zij zijn direct na aankomst in Auschwitz vermoord, precies een week na de oproep voor transport.
Deportatie uit Westerbork op 28 augustus 1942.
Vermoord in Auschwitz op 31 augustus 1942.
Zij werd 35 jaar.
ESTHER KEETJE MULLER
6 juli 1938 (Rotterdam) – 31 augustus 1942 (Auschwitz)
Sperwerstraat 21
Esther is geboren op 6 juli 1938, zoals vermeld bij de registratie van haar overlijden bij de burgerlijke stand van Haarlem. Het Rotterdamsch Nieuwsblad meldt in afwijking daravan op 8 juli 1938 dat haar moeder op 7 juli 1938 beviel van een dochter. Het gezin Muller kan maar weinig spullen meenemen op transport. Esther heeft een of twee van haar poppen bij zich maar haar poppenwagen en poppenstoelen blijven thuis achter.
Zij gaat samen met haar ouders op transport vanuit Haarlem en reist via Westerbork, en nadat haar vader uit de trein is gehaald, alleen met haar moeder verder naar Auschwitz. Daar is zij samen met haar moeder op 31 augustus 1942 vermoord.
Deportatie uit Westerbork op 28 augustus 1942.
Vermoord in Auschwitz op 31 augustus 1942.
Zij werd 4 jaar.
Inboedel van de familie Muller, inclusief de poppenwagen en -stoelen van Esther Keetje (NIOD, detail)