Van Hogendorpstraat
HENRIËTTE SALOMONSON
1 november 1862 (Almelo) – 12 februari 1943 (Auschwitz)
Van Hogendorpstraat 16
Henriëtte is een dochter van de fabrikant Maurits Salomonson (1831-1915) en Jeanette Mesritz (1837-1887). Na het overlijden van zijn echtgenote verhuist Maurits Salomonson in 1888 naar Amsterdam waar hij tot zijn overlijden blijft wonen en waar Henriëtte ook met tussenpozen bij hem woont.Bij hem woont ook zijn zoon Hendrik (1870-1941, later ook vermeld als Salomonsen). Hendrik huwt in 1916 Regina Carolina Laubheimer (1885-Heerlen 1963 of Scheveningen 1961, in 1941 wonend in Den Haag Ernst Casimirlaan 5). Hendrik maakt carrière bij de Bank Mendes, Gans en Co. in Amsterdam waar hij een van de directeuren wordt. Deze bank is nu bekend als BMG en sinds 1997/’98 onderdeel van de INGbank. Bij deze bank werkt Hendrik nauw samen met de hierna genoemde Karel Lansberg (1879-1958). Ook stichtten zij samen de Amsterdamsche Ledermaatschappij (Almij).
Behalve in Almelo en later in Amsterdam bij haar vader woont Henriëtte al jong in Haarlem en vervolgens ook met tussenpozen in Nederlands Indië. Voor haar vervolgopleiding verhuist Henriëtte van Almelo naar Haarlem. In juli 1877 slaagt zij daar voor het toelatingsexamen voor de kweekschool voor onderwijzeressen (Gedempte Oude Gracht 8), verkrijgt eind oktober 1879 de akte van hulponderwijzeres en slaagt in mei 1880 voor examens in de Duitse en Franse taal. Zij behoort tot de de eerste vrouwen die de kans kregen onderwijzeres te worden: in Haarlem was in 1816 de eerste rijkskweekschool voor jongens gesticht en pas in 1870 kwam daar een rijkskweekschool voor onderwijzeressen bij.
Misschien heeft Henriëtte enkele jaren in Nederland gewerkt als hulponderwijzeres. Waarschijnlijk echter gaat zij aanvankelijk werken als gouvernante bij vermogende gezinnen, zoals voor de kinderen van haar neef Lion Stibbe (1859-1941).
In juni 1890 verblijft Henriëtte in Hotel Deutschmann in Scheveningen. In hetzelfde hotel zijn dan ook verschillende familieleden van de familie Stibbe aanwezig, onder wie Lion Stibbe met zijn gezin en dienstbode. Kort daarna boekt Henriëtte de scheepsreis met de Prins Frederik naar Batavia, in het gezelschap van het gezin van Lion Stibbe met hun twee kinderen. Zowel Henriëtte als het gezin Stibbe besluiten in Genua aan boord te stappen; een gebruikelijke manier om de lange scheepsreis wat te bekorten. In hun geval betekende de treinreis Nederland-Genua ook dat zij het geluk hadden een scheepsramp te missen. De Prins Frederik wordt midscheeps geramd in dichte mist in de Golf van Biscaje en verging. De Stibbes en Henriëtte zullen in Genua dus omgeboekt zijn naar een ander passagiersschip naar Batavia.
In de Oost wordt Henriëtte actief als hulponderwijzeres: in 1894 en 1895 geeft zij les op een school in Semarang, dan ook de woonplaats van haar broer Isaac Lion, en in 1896 in Cheribon en Makassar. In die laatste plaats krijgt zij op haar verzoek eervol ontslag waarna zij in 1897 waarschijnlijk terugkeert naar Nederland. In 1909 vertrekt zij opnieuw naar Nederlands Indië, dan met de SS Ophir. Nu stapt zij op in Marseille. Misschien dat zij dit keer meereist in het gezelschap van F.A. Stibbe en diens echtgenote en kind. Twee jaar later keert zij opnieuw terug naar Nederland: op 21 oktober 1911 arrveert Henriëtte vanuit Java met de SS Goentoer in Marseille en reist van daar per trein verder naar Nederland.
Na haar terugkeer uit de Oost woont zij tot 1915 enige tijd in Bloemendaal, vervolgens vanaf 1915 in Amsterdam en verhuist zij in 1919 naar Baarn. In de jaren 1930 en begin jaren 1940 woont Henriëtte in Bloemendaal in het hotel ‘Duin en Daal’ op het adres Lage Duin en Daalseweg 8. Op 25 maart 1942 komt zij in te wonen op het adres Van Hogendorpstraat 16, dichtbij haar broer Isaac Lion die op nummer 21 woont. Nog geen halfjaar later, eind augustus 1942, meldt Isaac Lion zich vrijwillig voor het eerste transport van Haarlemse joden. Diens vertrek zal voor Henriëtte de reden zijn geweest om op 14 september 1942 te verhuizen uit Haarlem naar Amsterdam waar zij wordt opgenomen in Rusthuis Parkzicht op het adres Tenierstraat 4. In Amsterdam zal Henriëtte de spanningen van deportaties en dergelijke meegekregen hebben. Onder die druk koos haar 84-jarige medebewoner Salomon de Jongh op 25 november 1942 voor zelfmoord.
Bij haar registratie door de Joodse Raad staat “Hes” genoteerd als Henriëttes contactpersoon in Amsterdam met het adres Houtmarkt 16II (nu het Jonas Daniël Meijerplein). Waarschijnlijk betreft dit Isaäc Hes (1904-Sobibor 16 juli 1943) die vanaf 1936 verpleger/directeur was van Rusthuis Parkzicht.
Henriëtte arriveert op 29 januari 1943 in Westerbork en wordt daar eerst opgenomen in de ziekenhuisbarak. Er is daarna nog gepoogd om haar uit Westerbork te krijgen gezien registraties van enkele verlofaanvragen. Een daarvan, gedateerd 2 februari 1943, staat op naam van “mevr. Salomonson”, Beeklaan 399 in Den Haag (bedoeld als contactpersoon is de weduwe en schoonzus van Henriëtte, Regina Carolina Salomonson-Laubheimer, 1885-1963. Echter de op het adres Beeklaan 399 inwonende geadresseerde is haar twee jaar jongere zus, de verpleegster Carolina Regina Laubheimer, 1887-1961). Twee andere verlofaanvragen werden gedaan door Karel Lansberg (1879-Amsterdam 1958), Vondelstraat 83 in Amsterdam, gedateerd 8 februari en 1 maart 1943. De aanvragen leidden niet tot afstel of uitstel.
Enkele dagen na Henriëttes verblijf in de ziekenhuisbarak wordt zij op 1 februari 1943 overgebracht naar barak 3. Op 9 februari 1943 volgt het transport naar Auschwitz waar zij direct na aankomst is vermoord.
Deportatie uit Westerbork op 9 februari 1943.
Vermoord in Auschwitz op 12 februari 1943.
Zij werd 80 jaar.
Bronnen: Nationaal archief, 2.04.68 Centrale Dienst Sibbekunde 1941-1944, inv.nr. 62: betreft R.C. Salomonson-Laubheimer; GA Den Haag, woningkaart Beeklaan 399 (met dank aan Corien Glaudemans).
Foto: Kweekschool voor onderwijzeressen, circa 1880. Gedempte Oude Gracht 8, Haarlem
ISAAC LION SALOMONSON
27 mei 1861 (Almelo) – 1 september 1942 (Auschwitz)
Van Hogendorpstraat 21
Isaac Lion is een zoon van Maurits Salomonson Izn. (1831-1915) en Jeanette Mesritz (1837-1887). Door zijn geboorte maakt hij deel uit van een groot netwerk van verwanten in de wereld van industrie, handel en bankieren. Zo is bijvoorbeeld zijn grootvader Lion Wolf Mesritz (1805-1858) boekhouder of accountant bij zijn ooms Heiman en Godfried Salomonson, bekend van de Koninklijke Stoomweverij Nijverdal. Heiman en Godfried krijgen daarom in 1850 de eer om de eerste steen te plaatsen voor Lions nieuwbouwvilla in Almelo. Dezelfde Lion Wolf Mesritz is via zijn dochter Francijntje de grootvader van Maurits Salomonson (1863-1894) die huwt met een dochter van de bekende bankier A.C. Wertheim. Gezien dit netwerk is het de vraag of Isaac Lion in Haarlem contact had met Alfred Sallie Salomonson die bij hem om de hoek woonde in de Eindenhoutstraat: Isaac Lions overgrootvader Mozes (1760-1848) en Alfred Sallies over-overgrootvader Meijer (overl. 1837) waren broers. Dat de band met Almelo voor en na de oorlog is blijven bestaan blijkt ook uit het feit dat Isaac Lion en zijn zus Henriëtte behalve met het Haarlemse monument voor joodse oorlogsslachtoffers (2012) ook herdacht worden op het monument in Almelo (2002).
Al op jonge leeftijd verhuist Isaac Lion naar Amsterdam waar hij intrekt bij het gezin van Isaac Bottenheim. Isaacs zus Esther en haar man Lion Wolf Mesritz waren de ouders van Jeanette Mesritz: de moeder van Isaac Lion. In Amsterdam werkt Isaac Lion aanvankelijk als kantoorbediende. Ter voorkoming van verwarring met zijn neef en zakenpartner Josef Lion Salomonson Hermanszoon komt Isaac Lion in de bronnen regelmatig voor met de toevoeging Mzn (Mauritszoon).
In 1893 wordt Isaac Lion, sinds 1892 of eerder wonende in Semarang op Java, een van de partners in de vennootschap die de zaken van de firma’s Mesritz & Co. en oom Herman Salomonson (1833-1915, gehuwd met Francijntje Mesritz, een zus van Jeanette) voortzet in Amsterdam en op Java (Bataviaasch Nieuwsblad 13 mei 1893). Per 31 december 1899 wordt zijn deelname aan deze vennootschap beëindigd en zien wij hem te Batavia in 1900 vermeld als procuratiehouder voor Herman Rosenthal.
In 1903 is Isaac Lion terug in Nederland. Het lijkt erop dat hij na zijn carrière in de Oost terug in Nederland vooral actief blijft als bestuurder en commissaris. In hetzelfde jaar 1903 is hij in Amsterdam benoemd tot directeur van de Java-Petroleummaatschappij. In 1909 wordt hij commissaris van de Cokes Oven Mij.. In hetzelfde jaar wordt hij bevorderd van procuratiehouder tot financieel directeur bij de Steenkolenhandelmaatschappij v.h. Jan Veldhuizen Wzn.. Twee jaar later neemt hij daar ontslag als directeur.
In 1904 woont hij in Amsterdam op het adres Van Baerlestraat 94 en in 1915 op het adres Van Breestraat 184. Tussen 1915 en 1937 woont Salomonson ook enige tijd in Bloemendaal. Vanaf 7 mei 1937 tenslotte woont hij op het adres Van Hogendorpstraat 21.
Waarschijnlijk was Isaac Lion niet religieus maar wel was hij betrokken bij de joodse cultuur, gezien de twee objecten die hij volgens de gids van het Joods Historisch Museum van het jaar 1931 in bruikleen gaf: de hebreeuwse geboorte-aankondiging van zijn grootvader “Juda Löb Zeëb Wolf Mezrits” (geb. 1805) en een niet gedateerd Pools besnijdenisjurkje met mutsje.
Salomonson behoort tot de eerste groep joden die op transport gaan naar Westerbork. Eind augustus meldt hij zich voor dit transport op de verzamelplaats aan de Westergracht in Haarlem. Hij behoort tot degenen die geen oproep tot transport hadden gekregen, desondanks meldt hij zich. Als contactpersoon in Haarlem laat hij de naam A.C. Schotel noteren. Hiermee zal zijn buurtgenoot met die naam bedoeld zijn, wonende op het adres Westerhoutstraat 33. Op 28 augustus 1942 gaat hij, twee dagen na aankomst in Westerbork, op transport naar Auschwitz.
Deportatie uit Westerbork op 28 augustus 1942.
Vermoord in Auschwitz op 1 september 1942.
Hij werd 81 jaar.
Bronnen: Nationaal archief, Ned. Beheersinstituut (NBI) inv. 2.09.16.13, nr. 158789 (158790 betreft zijn zus Henriëtte)