Van Zeggelenstraat
DAVID HAGENAAR
25 augustus 1902 (Amsterdam) – 23 april 1943 (Sobibor)
Van Zeggelenstraat 136
David Hagenaar werd in 1902 in Amsterdam geboren als middelste van vijf zoons van Meijer Hagenaar (1876-1931) en Roosje Bolle (1874-1937), in een familie van fruithandelaren. David trouwde in 1934 met Rachel Beetz, ook uit Amsterdam. In 1936 werd hun enige kind geboren, Meijer, en in oktober 1937 verhuisde het jonge gezin naar de Van Zeggelenstraat 136.
Hier om de hoek, in de Vosmaerstraat, woonde Davids achterneef Marcus Hagenaar, die al in 1928 naar Haarlem was verhuisd en die samen met drie broers van David handel dreef in zuidvruchten. Ook David zat in de fruithandel, in het adresboek van 1942 staat hij omschreven als fruitventer. Het is goed mogelijk dat hij in het familiebedrijf werkte, dat een pakhuis aan de Koudenhorn 84 had. Nadat het voor Joden vrijwel onmogelijk was geworden om hun bedrijf of beroep uit te oefenen, was David in 1942 schoonmaker geworden in het Joods Gemeentegebouw aan de Lange Wijngaardstraat, blijkt uit een bij het JCK bewaard schrift met namen en foto’s van 107 mensen die voor de Joodse Raad werkzaam waren.
Die functie behoedde zijn gezin aanvankelijk voor deportatie, maar niet voor lang. In februari 1943 kregen zij opdracht om binnen zes dagen naar Amsterdam te verhuizen. Daar werden zij in april opgepakt, en op 13 april in Westerbork geïnterneerd. Een week later werden zij in de goederentrein naar Sobibor gepropt, om daar bij aankomst vergast te worden.
David had vier broers. Geen van hen en hun gezinsleden hebben de oorlog overleefd, met uitzondering van de niet-Joodse echtgenote van Davids broer Abraham, en haar dochter Cornelia Hein die zij had uit haar eerdere huwelijk. Zij zijn in de jaren ’50 geëmigreerd.
Deportatie uit Westerbork op 20 april 1943.
Vermoord in Sobibor op 23 april 1943.
Hij werd 40 jaar.
RACHEL HAGENAAR-BEETZ
17 maart 1905 (Amsterdam) – 23 april 1943 (Sobibor)
Van Zeggelenstraat 136
Rachel Beetz was tweeëneenhalf jaar jonger dan David. Zij was de zesde van zeven kinderen van Manus Beetz (1869-1934) en Saartje van West (1866-1940), ook uit Amsterdam. Van Rachel is een beroep bekend. Op haar Joodse-Raadkaart staat dat zij ‘vroeger’ winkeljuffrouw is geweest, alsmede de aanduiding regenjassenplakster (dat wil zeggen, de naden van regenjassen waterdicht maken). Rachel en David trouwden op 5 september 1934 in Amsterdam, met als getuigen Rachels oudste broer Jacob en Davids broer Simon.
Vijf dagen na het huwelijk trokken zij in op de Reitdiepstraat 13. Op dat adres werd na anderhalf jaar hun zoon Meijer geboren, die net als drie van zijn neven vernoemd werd naar zijn overleden grootvader Meijer Hagenaar. Tot de geboorte van Meijer had Roosjes oudste, ongetrouwde broer Jacob Beetz bij hen ingewoond, die ook getuige bij het huwelijk was geweest. Kort daarop, eind juli 1936 verhuisden David, Rachel en baby Meijer naar de Joubertstraat 3, en in oktober 1937 naar de Van Zeggelenstraat in Haarlem.
Vlak voor Kerstmis 1942 kregen zij opdracht te verhuizen naar Zijlweg 31 en daar in te trekken bij Mozes en Maria Paardebek op Zijlweg 31, wat zij blijkens het archief enkele dagen later ook deden. Op 9 februari 1943 werd alle nog in Haarlem wonende Joden opgedragen naar Amsterdam te vertrekken. De drie Hagenaars bevonden zich van toen af op de Lepelstraat 32. Maar niet voor lang. Zij zijn op 13 april in Westerbork geïnterneerd in barak 60 (de zolenfabriek), en een week later naar Sobibor gedeporteerd, om daar bij aankomst vergast te worden.
Rachel had zes broers en zussen. Ook zij en hun gezinnen hebben de oorlog niet overleefd, met twee uitzonderingen: haar naar de VS geëmigreerde zus Grietje, met haar man Mendel Freitag en dochter Eva, en de zoon van haar zus Debora, Alexander van Kollem, wiens verhaal in het Spielbergproject is opgetekend (Jewish Survivor Alexander Van Kollem Testimony | USC Shoah Foundation).
Deportatie uit Westerbork op 20 april 1943.
Vermoord in Sobibor op 23 april 1943.
Zij werd 38 jaar.
MEIJER HAGENAAR
25 april 1936 (Amsterdam) – 23 april 1943 (Sobibor)
Van Zeggelenstraat 136
Meijer werd op het adres Reitdiepstraat 13 in Amsterdam geboren, anderhalf jaar na het huwelijk van zijn ouders David Hagenaar en Rachel Beetz. Hij werd vernoemd naar zijn opa, Davids vader. Hij groeide op in de Van Zeggelenstraat, waarheen zijn ouders in 1937 verhuisden.
Toen hij oud genoeg was om naar school te gaan, mochten Joodse kinderen niet meer naar school. Meijer en zijn ouders moesten in december 1942 hun huis uit, en intrekken bij een familie op de Zijlweg. Ruim een maand later had de bezetter weer andere plannen. Ze moesten binnen een week naar Amsterdam verkassen. Daar werd het gezin in april opgepakt, en waarschijnlijk via de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork gedeporteerd. Een week later werd Meijer met zijn ouders in de trein naar Sobibor geduwd, om daar bij aankomst vergast te worden, twee dagen voor Meijers zevende verjaardag.
Van Meijers veertien neefjes en nichtjes overleefden slechts twee die naar Amerika waren geëmigreerd de Duitse vernietigingsmachine.
Deportatie uit Westerbork op 20 april 1943.
Vermoord in Sobibor op 23 april 1943.
Hij werd net geen 7 jaar.