Cremerplein

BAREND ITALIAANDER
11 mei 1912 (Amsterdam) – 4 juni 1943 (Sobibor)

Cremerplein 33

Barend Italiaander was in 1912, vijf jaar na zijn zus, op het adres Lepelstraat 36 (2-hoog) geboren in het gezin van diamantwerker Abraham Italiaander en Rachel Leeuwaarden. Ook Barend werd in het diamantvak opgeleid, noteerde de militaire keuringsarts. Hij had zeven klassen lager onderwijs gevolgd en extra lessen Engels. Hij werd overigens in april 1931 tijdelijk en een jaar later voorgoed ongeschikt verklaard voor de militaire dienst.

Zowel Barend als zijn vader hebben het diamantvak verlaten. Vader Abraham is stoelenmatter geworden; Barend etaleur, decorateur en lakschrijver, vermeldt zijn Joodse-Raadkaart. Barend trouwde in februari 1938 met Schoontje Peper. Na hun huwelijk woonden Schoontje en Barend in Amsterdam kort op de Mesdagstraat 60 en Trompenburgstraat 85. Eind augustus 1939 verhuisde het gezin naar Cremerplein 33 in Haarlem. Nadat Joden het werken onmogelijk was gemaakt, bezorgde de Joodse Raad Barend een baan als hulpportier bij het Joles Ziekenhuis.

Die functie leverde aanvankelijk een vrijwaring op van transport naar Polen. Maar in de winter van 1943 moest hij met zijn gezin waarschijnlijk naar Amsterdam vertrekken, en vandaar werden zij in mei naar Westerbork gedeporteerd, en op 1 juni verder naar Sobibor, ter vergassing.

Barend had één zus, Sientje, die was getrouwd met Schoontjes broer Joseph Peper. Zij zijn met hun baby-zoontje Ido eveneens in de sjoa vermoord.

Deportatie uit Westerbork op 1 juni 1943.

Vermoord in Sobibor op 4 juni 1943.

Hij werd 31 jaar.

SCHOONTJE ITALIAANDER-PEPER
3 mei 1907 (Amsterdam) – 4 juni 1943 (Sobibor)

Cremerplein 33

Schoontje was de oudste van vijf kinderen van diamantslijper Israël Peper (1883-1942) en Debora Fransman (1884-1942). Ze werd op de Ruijschstraat 98 (1 hoog) in Amsterdam geboren. Op de gezinskaart van Amsterdam staat aangetekend dat Schoontje kantoorbediende bij een en-gros handel was.

 Schoontje trouwde op 9 maart 1938 met Barend Italiaander, ook uit Amsterdam. Als getuigen bij het huwelijk traden op Barends zus Sientje en Schoontjes schoonzus Anna Noach. Na het huwelijk woonde het jonge gezin nog anderhalf jaar in Amsterdam, waar hun eerste kind ter wereld kwam. Rudolf Abraham. Toen dochter Nora in 1940 werd geboren, waren zij inmiddels naar het Cremerplein in Haarlem verhuisd.

 Op 23 december 1942 kreeg het gezin Italiaander opdracht kreeg te verhuizen naar de Kamperstraat 6 in het Rozenprieel, en aldaar in te trekken bij Rebecca Mok-Polak, wier echtgenoot Louis Mok in 1941 was overleden. Op 9 februari 1943 kwam er een oekaze dat alle Joden uit Haarlem binnen zes dagen naar Amsterdam dienden te vertrekken. Of de Italiaanders daaraan gehoor hebben gegeven, is niet bekend. Wel is bekend dat zij op 25 mei 1943 in Westerbork zijn geïnterneerd, en een week later zijn gedeporteerd naar Sobibor, alwaar zij bij aankomst op 4 juni zijn vergast.

Schoontje had vier broers en zussen, van wie alleen zus Mirjam de oorlog heeft overleefd en daarna opnieuw getrouwd is. Voor zover we kunnen afleiden uit de overlijdensadvertentie van haar tweede echtgenoot had zij geen kinderen.

Deportatie uit Westerbork op 1 juni 1943.

Vermoord in Sobibor op 4 juni 1943.

Zij werd 36 jaar.

RUDOLF ABRAHAM ITALIAANDER
27 februari 1939 (Amsterdam) – 4 juni 1943 (Sobibor)

Cremerplein 33

Rudolf Abraham was het eerste kind van Schoontje Peper en Barend Italiaander. Hij werd bijna een jaar na hun huwelijk geboren in de Trompenburgstraat 85 in Amsterdam. Zijn tweede naam is die van zijn grootvader van vaderszijde. Eind 1939 kwam hij mee naar Haarlem, waar in september 1940 zijn zusje Nora werd geboren.

Het gezin Italiaander kreeg in februari 1943, zoals alle nog resterende Joden in Haarlem, opdracht naar Amsterdam te verhuizen. Daar zijn ze in mei opgepakt, en op 25 mei naar Westerbork gedeporteerd. Wellicht zijn ze de dagen daarvoor in de Hollandsche Schouwburg geweest, en hebben Rudolf en zijn zusje in de crèche aan de overkant verbleven. Vanuit Westerbork werd Rudolf met zijn ouders en zusje naar Sobibor gedeporteerd, en daar bij aankomst vergast.

Deportatie uit Westerbork op 1 juni 1943.

Vermoord in Sobibor op 4 juni 1943.

Hij werd 4 jaar.

NORA ITALIAANDER
26 september 1940 (Haarlem) – 4 juni 1943 (Sobibor)

Cremerplein 33

Nora was het tweede kind van Schoontje Peper en Barend Italiaander. Zij werd hier op het Cremerplein geboren, tien maanden nadat haar ouders en broertje Rudolf er waren komen wonen. Inmiddels was het oorlog geworden.

Het gezin Italiaander kreeg in februari 1943, zoals alle nog resterende Joden in Haarlem, opdracht naar Amsterdam te verhuizen. Daar zijn ze in mei opgepakt, en op 25 mei naar Westerbork gedeporteerd. Wellicht zijn ze de dagen daarvoor in de Hollandsche Schouwburg geweest, en hebben Nora en haar broer in de crèche aan de overkant verbleven. Vanuit Westerbork werd Nora met haar ouders en broer Rudolf naar Sobibor gedeporteerd, en daar bij aankomst vergast.

Nora had in 1941 een neefje gekregen, Ido Peper, zoon van haar tante Sientje en oom Joseph. Ook dat gezin is in zijn geheel vermoord.

Deportatie uit Westerbork op 1 juni 1943.

Vermoord in Sobibor op 4 juni 1943.

Zij werd 2 jaar.

ISAÄC WORMS
26 juli 1887 (Amsterdam) – 21 mei 1943 (Sobibor)

Cremerplein 29

Isaäc Worms werd in juli 1887 in Amsterdam geboren op het adres Joden Houttuinen 51a, een thans verdwenen straat op Uilenburg. Hij was het zesde kind van Leendert Worms (1854-1925) en Sara Amanda de Leeuw (1852-1940), die in totaal tien kinderen kregen. Isaäc had als beroep sigarenmaker, dat staat reeds zo vermeld bij zijn militaire keuring in 1906. Hij werd aanvankelijk goedgekeurd maar enkele maanden later alsnog afgekeurd wegens lichamelijke gebreken, twee weken nadat hij bij het 7e regiment infanterie was ingelijfd. Isaäc trouwde op 15 februari 1911 met Sara Levie uit Amersfoort.

We vinden hen, met hun inmiddels geboren dochter Grietje, vanaf maart 1916 terug in de bevolkings­administratie van Haarlem, met een sigarenmakerij op Koningstraat 6. Daar werd zoon Leendert (Leo) in 1918 geboren. Vanaf juni 1921 werkten en woonden Isaäc en Sara op Oudeweg 57a, naast het woonwagenkamp op nummer 57. In 1939 gaf de gemeente aan het pand Oudeweg 57a een andere bestemming, en verhuisden Isaäc en Sara naar Cremerplein 29, wat hun laatste adres in vrijheid zou zijn. Toen Joden hun beroep niet meer mochten uitoefenen, regelde de Joodse Raad een functie voor Isaäc als assessor van de instelling Gemieloeth Chasadiem. Dat vrijwaarde het gezin van de eerste deportatiegolven.

Uit een ander document van de Joodse Raad in Haarlem blijkt dat Isaäc en Sara vlak voor Kerstmis 1942 opdracht kregen in te trekken bij de familie Schijveschuurder op Lorentzplein 37. Ze zijn daar op 4 januari 1943 ingeschreven. Of ze gehoor hebben gegeven aan de volgende opdracht, van 9 februari, om naar Amsterdam te vertrekken, is onbekend. Wel is bekend dat Isaäc en Sara op 14 mei 1943 in Westerbork zijn geïnterneerd, in barak 60 (de zolenfabriek). Vier dagen later zijn ze gedeporteerd naar Sobibor en daar bij aankomst direct vergast.

Dochter Grietje, inmiddels getrouwd en naar de Nieuwe Prinsengracht in Amsterdam verhuisd, werd met haar man en stiefzoon in Auschwitz omgebracht. Zoon Leendert (Leo) overleefde de oorlog. Isaäc had zelf negen broers en zusters, van wie één (Anna) na de oorlog nog in leven was. Zij was getrouwd maar heeft geen kinderen gekregen. Van zijn broer Salomon leven nog nabestaanden, evenals mogelijk van zijn broer Abraham.

Deportatie uit Westerbork op 18 mei 1943.

Vermoord in Sobibor op 21 mei 1943.

Hij werd 55 jaar.

SARA WORMS-LEVIE
1 november 1885 (Amersfoort) – 21 mei 1943 (Sobibor)

Cremerplein 29

Sara was de vierde van vijf kinderen van Nathan Levie (1852-1936) en Grietje Cohen (1842-1924). Zij werd geboren in Amersfoort, ruim anderhalf jaar voor Isaäc. Ze trouwde op 15 februari 1911 met Isaäc Worms. De ouders van bruid en bruidegom waren daarbij aanwezig, als getuigen traden echter vier personen uit alleen Sara’s kring op.

Hun eerste kind, Grietje, werd viereneenhalve maand na het huwelijk geboren, op 24 juni 1911. Daarna zouden nog twee kinderen volgen, Leendert (Leo) in 1918 en Celine eind 1920. Celine mocht maar twee weken oud worden en stierf begin 1921. Sara en Isaäc zijn, na enkele jaren op Kattenburg te hebben gewoond, in 1916 naar Haarlem gekomen, zij woonden eerst op de Koningstraat 6 (later afgebroken ten behoeve van nieuwbouw voor het stadhuis), en daarna lange tijd op de Oudeweg 57a. In 1939 werd dat pand door de gemeente herbestemd en trok het gezin Worms-Levie in op het Cremerplein 29.

In december 1942 werden zij daaruit verdreven, eerst naar een ander adres in Haarlem, en in februari 1943 naar Amsterdam. Daar werden Isaäc en Sara half mei opgepakt en naar Westerbork gedeporteerd. En vier dagen later naar Sobibor, om daar vergast te worden.

Leo overleefde de bezetting, hij stierf in 2010, elf jaar na zijn echtgenote Rosina Rebecca de Solla. Ook Grietje was getrouwd, op 13 augustus 1941, met de twee jaar jongere Hartog Worms. Hartog had toen al een zoon, Hendrik, uit zijn eerdere huwelijk met Sara van Kleef, die jong was overleden. Grietje, Hartog en Hendrik werden in 1942 in Auschwitz omgebracht. Sara had zelf vier broers en zussen. Geen van allen waren nog in leven na de oorlog. Van haar zus Betje en broer Samuel leven nog wel nabestaanden.

Deportatie uit Westerbork op 18 mei 1943.

Vermoord in Sobibor op 21 mei 1943.

Zij werd 57 jaar.

Vorige
Vorige

Van Zeggelenstraat

Volgende
Volgende

Cremerstraat