Vosmaerstraat  

MARCUS HAGENAAR
31 oktober 1900 (Amsterdam) – 14 januari 1943 (Auschwitz)

Vosmaerstraat 18

Marcus Hagenaar was de derde van acht kinderen van David Hagenaar (1871-1943) en Louisa Roe (1866-1943). In het militieregister van 1919 lezen we dat hij dat hij slechts 1,55m lang was en platvoeten had, zodat hij werd aangewezen voor het administratiekorps. Precies op zijn 23ste verjaardag trouwde Marcus met de twee weken oudere Sientje Wurms, waarmee hij al een aantal jaren verloofd was en waarmee hij daarna drie kinderen kreeg: Louisa, Philip en Betty.

De Hagenaars werkten in de ambulante fruithandel, vooral sinaasappels, bananen en dergelijke. Marcus deed dat samen met drie (achter)neven van hem, de broers Abraham, Simon en Alexander Hagenaar – kleinzonen van een broer van Marcus’ grootvader. Marcus had vanaf eind jaren ’20 samen met Abraham de fruithandel M&A Hagenaar in Haarlem, met een pakhuis op Koudenhorn 84. De beide andere neven Simon en Alexander hadden de fruithandel S&A Hagenaar in de Amsterdamse Vrolikstraat. De M&A kocht haar fruit in via de S&A en niet via de reguliere groothandel in Haarlem, ondanks dat de groothandelsmarkt in groente en fruit toen voor hun deur zat op de hoek Koudenhorn-Donkere Spaarne. Op zich liepen de zaken goed: over 1941 werd door S&A een fiscale omzet van bijna 70.000 gulden genoteerd. Echter, al het geld is in de onderduiktijd opgegaan, zodat er na de oorlog weinig meer over was.

Het gezin van Marcus werd in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 van het bed gelicht en naar Westerbork getransporteerd. Op 9 oktober werden zij gedeporteerd naar Auschwitz. Marcus’ vrouw en dochters werden daar bij aankomst vergast, hijzelf en zijn zoon werden aan de dwangarbeid gezet. Marcus droeg het gevangennummer 67500 en werkte waarschijnlijk bij de IG-Farbenvestiging in Auschwitz (later bekend als Monowitz). Maar niet lang. Op 14 januari 1943 was hij niet meer tot werken in staat en bezweek hij of werd hij daarom vermoord.

Geen één van Marcus’ broers en zussen, hun gezinnen en nazaten heeft de sjoa overleefd. Marcus’ ouders werden in maart 1943 vanuit het Nederlands-Israëlitisch Ziekenhuis in Amsterdam naar Sobibor gedeporteerd en daar meteen vermoord. Ook de drie genoemde achterneven vonden de dood in de oorlog. Alleen de vrouw van Alexander, Helena Hagenaar-Dreese, heeft de oorlog overleefd – zij was waarschijnlijk niet Joods en had zich in 1943 laten scheiden, maar heeft na de oorlog wel getracht de firma M&A Hagenaar opnieuw op te starten met behulp van een vroegere medewerker genaamd M. Dondorp. Zij kreeg echter geen inkooprechten in Haarlem omdat de firma die voor de oorlog ook niet had – vanwege hun inkoop via de Amsterdamse familie. Helena is in 1956 naar Californië geëmigreerd.

Deportatie uit Westerbork op 9 oktober 1942.

Vermoord in Auschwitz op 14 januari 1943.

Hij werd 42 jaar.

SIENTJE HAGENAAR-WURMS
16 oktober 1900 (Amsterdam) – 12 oktober 1942 (Auschwitz)

Vosmaerstraat 18

Sientje was de jongste van vier kinderen van Philip Wurms (1874-1937) en Betje Polak (1872-1933), uit Amsterdam. Ze was het derde meisje, de beide oma’s waren al vernoemd en daarom werd ze naar haar tante Sientje vernoemd, Philips zus. Op 31 oktober 1923 trouwde Sientje met de twee weken jongere Marcus Hagenaar, op zijn verjaardag – ze kende hem al jaren en was intussen zwanger. Het jonge gezin heeft in Amsterdam op drie adressen gewoond. Hun kinderen Louisa en Philip werden er in 1924 en 1925 geboren.

In november 1928 verhuisde het gezin naar de Alberdinck Thijmstraat 28 in Haarlem. Ze hadden een handel in fruit op de Koudenhorn 84, samen met een achterneef van Marcus. In 1937 volgde de verhuizing naar de Vosmaerstraat 18. Daar is een jaar later hun derde kind, Betty, geboren.

In het politierapport van 3 oktober 1942 staat om 03:30 uur: De inspecteurs De Jong en Brauchmann rapporteren dat op last van de SD A’dam door verschillende rechercheurs 19 Joodsche gezinnen (voor zoover aanwezig) ter evacuatie zijn aangehouden. Het gezin Hagenaar was één van die 19 gezinnen. Alle vijf leden werden een week later vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, waar Sientje en haar dochters bij aankomst werden vergast, enkele dagen voor Sientjes 42ste verjaardag. Marcus en Philip waren als dwangarbeider ingezet, maar zouden ook niet lang meer leven.

Sientje Wurms had drie zussen en twee broers (waarvan een zus en een broer jong overleden). Ook in haar familie hebben de meesten de sjoa niet overleefd, alleen de dochter Marianne van Sientjes zus Annaatje wel. Zij had haar jonge kind Levie Samson (1940) afgestaan om in Overveen onder te duiken; zowel Levie als Marianne overleefden de oorlog en werden daarna met elkaar verenigd.

Deportatie uit Westerbork op 9 oktober 1942.

Vermoord in Auschwitz op 12 oktober 1942.

Zij werd net geen 42 jaar.

LOUISA HAGENAAR
17 maart 1924 (Amsterdam) – 12 oktober 1942 (Auschwitz)

Vosmaerstraat 18

Louisa werd in Amsterdam geboren, 4,5 maand na het huwelijk van haar ouders Sientje Wurms en fruitventer Marcus Hagenaar. Ze was, zoals vaak voorkwam, vernoemd naar haar oma, Louisa Roe (1866-1943), de moeder van Marcus.

Vanaf haar vierde woonde ze in Haarlem, eerst op de Alberdinck Thijmstraat 28 en sinds 1937 drie straten verderop in de Vosmaerstraat 18. Ze zal daar in de buurt op school zijn gegaan, maar waar weten we niet. De enige vermelding die we (met bovenstaande foto) hebben kunnen vinden is, dat zij als werkster in het Joles Ziekenhuis werkte.

Die vermelding is van september 1942. Twee weken later werd het hele gezin in de nacht van Jom Kippoer opgepakt en naar Westerbork gedeporteerd. Daar zijn ze per eerstvolgend transport naar Auschwitz gedeporteerd. Louisa, haar moeder en haar jonge zusje werden daar meteen bij aankomst vergast.

Van haar 25 neven en nichten werden er 24 eveneens in de Holocaust vermoord.

Deportatie uit Westerbork op 9 oktober 1942.

Vermoord in Auschwitz op 12 oktober 1942.

Zij werd 18 jaar.

PHILIP HAGENAAR
1 september 1925 (Amsterdam) – 29 oktober 1942 (Auschwitz)

Vosmaerstraat 18

Philip werd anderhalf jaar na zijn zus geboren. Hij kreeg de naam van zijn opa van moederskant. Zijn ouders, Marcus Hagenaar en Sientje Wurms, woonden toen nog in Amsterdam, maar verhuisden eind 1928 naar de Alberdinck Thijmstraat 28 in Haarlem. Daar zal Philip dus in de buurt naar school zijn gegaan. Alle kans dat hij ook zijn vader en diens neef Abraham Hagenaar hielp in hun fruithandel op de Koudenhorn. Behalve bovenstaande bar mitswo aankondiging hebben we echter in online archieven geen sporen van hem kunnen vinden.

In de nacht van Jom Kippoer, 2 op 3 oktober 1942, werd hij met het hele gezin uit huis gehaald en naar Westerbork gestuurd. Daar werd hij binnen een week naar Auschwitz gedeporteerd. Philip is daar, net als zijn vader, voor dwangarbeid geselecteerd, maar dat heeft hij slechts enkele weken vol kunnen houden. Zijn overlijden staat in Auschwitz genoteerd op 29 oktober.

Van vaderszijde heeft geen enkele neef of nicht van hem de oorlog overleefd, van moederszijde slechts één al iets oudere nicht.

Deportatie uit Westerbork op 9 oktober 1942.

Vermoord in Auschwitz op 12 oktober 1942.

Hij werd 17 jaar.

BETTY HAGENAAR
3 september 1938 (Haarlem) – 12 oktober 1942 (Auschwitz)

Vosmaerstraat 18

Betty werd op dit adres geboren, als jongste kind van fruitventer Marcus Hagenaar en diens vrouw Sientje Wurms. Ze was vernoemd naar de inmiddels overleden moeder van Sientje, Betje Polak (1872-1933). Betty was een nakomertje, maar daarom niet minder welkom – een maand later vierde haar broer al zijn bar mitswo.

Het gezin was een klein jaar daarvoor op de Vosmaerstraat komen wonen, maar woonde al vanaf 1928 in Haarlem. Zoals gewoonlijk bij jonge kinderen zijn er op internet geen verdere sporen van Betty te vinden.

Dat wil zeggen, totdat zij met haar ouders, zus en broer in de nacht van 2 op 3 oktober thuis werd opgehaald in het kader van een razzia waarbij in totaal 19 gezinnen werden opgepakt. De vrijdag daarop werd het hele gezin naar Auschwitz gedeporteerd, waar Betty, haar moeder en haar zus direct werden vermoord door vergassing. Haar vader en broer bezweken korte tijd later aan de dwangarbeid.

Betty was niet de jongste van haar familie. Vier neefjes van haar waren nog jonger toen ze in de kampen werden vermoord. Alleen haar oudste nicht overleefde de oorlog, net als het in onderduik afgegeven zoontje van die nicht.

Deportatie uit Westerbork op 9 oktober 1942.

Vermoord in Auschwitz op 12 oktober 1942.

Zij werd 4 jaar.

GERRIT POLAK
2 september 1897 (Amsterdam) – 21 mei 1943 (Sobibor)

Vosmaerstraat 21

Gerrit was de eerste zoon van Mozes Polak (1876-1942) en Mietje Visser (1871-1943) – samen met zijn tweelingbroer Herman die al snel overleed. Zijn vader was diamantslijper, en zo werd Gerrit ook opgeleid. Hij begon de opleiding in 1912 en was in 1917 daarmee klaar. Tot 1922 was hij lid van de Diamantbewerkersbond. Uit de militaire keuring weten we dat Gerrit niet lang was, slechts 1,58m. Er werden gebreken aan zijn linkeroor en rechteroog genoteerd, en hij werd afgekeurd. 

In 1923 trouwde hij met Elisabeth Stuiver. Gerrit en Elisabeth kregen één dochter, Mary, in 1926.

In december 1927 kwam het gezin naar Haarlem, Koningstraat 49, om daar een sigarenzaak te openen, die de naam Het Wapen van Amsterdam droeg. Men kon er ook foto’s inleveren om te laten afdrukken. Op 16 december 1934 verwoestte een felle brand de zaak en bovengelegen woning in hun geheel. Gerrit, die als enige thuis was, werd enkele dagen vastgehouden terwijl de politie een onderzoek naar verdachte omstandigheden deed. De brand was in de kamer achter de winkel ontstaan, waar echter niet gestookt werd. De brand haalde de krant in alle uithoeken van het land. Het gezin Polak, met de sinds december 1930 bij hen inwonende Jaantje Koopman, heeft na de brand enkele maanden op de Korte Dijk 5rd gewoond en is in juni 1935 verhuisd naar de Vosmaerstraat, op nummer 9, en vervolgens in mei 1937 naar nummer 21, hun laatste adres in vrijheid.

Gerrit en Elisabeth zijn beiden op 11 mei 1943 naar Westerbork gebracht, en daarvandaan op 18 mei met 2509 anderen gedeporteerd naar Sobibor. Daar zijn zij allen bij aankomst vergast.

Mary Polak heeft de oorlog overleefd en is later getrouwd met Johannes Abspoel. Alleen in hun zoon leeft de stamboom voort. De vier broers en zussen van Gerrit, en hun gezinnen, zijn allen vermoord in de sjoa.

Deportatie uit Westerbork op 18 mei 1943.

Vermoord in Sobibor op 21 mei 1943.

Hij werd 45 jaar.

ELISABETH POLAK-STUIVER
24 januari 1897 (Amsterdam) – 21 mei 1943 (Sobibor)

Vosmaerstraat 21

Elisabeth Stuiver was een van de elf kinderen van sjouwerman Frederik Stuiver (1856-1921) en Marianne Aldewereld (1855-1933). We hebben weinig gegevens over haar kunnen vinden. Zij trouwde op 21 november 1923 met Gerrit Polak, die als diamantbewerker was opgeleid. De eerste paar jaren van hun huwelijk woonden Gerrit en Elisabeth op het adres Tugelaweg 33 in Amsterdam, bij haar moeder. In 1926 kwam hun dochter Mary ter wereld. Kort daarna verhuisde het gezin naar Haarlem. In de Koningstraat 49 openden zij een sigarenwinkel.

Achtereenvolgens woonden Johanna Hof, Maria Harms en Anna Kopka bij hen in als dienstmeisje, en vanaf 1930 tot in de oorlog Jaantje Koopman. Nadat de winkel eind 1934 geheel afbrandde, verhuisde het gezin naar de Vosmaerstraat, eerst op nummer 9 en vanaf 1937 op nummer 21.

We vonden geen gegevens over het gezin in oorlogstijd, tot de vermelding op de kaarten van de Joodse Raad dat Gerrit en Elisabeth beiden op 11 mei 1943 naar Westerbork zijn gebracht, en daarvandaan op 18 mei met 2509 anderen gedeporteerd naar Sobibor. Daar zijn zij allen bij aankomst vergast.

Dochter Mary was in 1943 al het huis uit en heeft de oorlog overleefd, en is in 1955 getrouwd met de leraar Johannes Abspoel (1931-1962). Van Elisabeths tien broers en zussen heeft er één de oorlog overleefd, voor zover bekend. Wel leven nog nabestaanden van haar zus Sara en haar broer Salomon.

Deportatie uit Westerbork op 18 mei 1943.

Vermoord in Sobibor op 21 mei 1943.

Zij werd 46 jaar.

JAANTJE KOOPMAN
11 augustus 1904 (Amsterdam) – 12 februari 1943 (Auschwitz)

Vosmaerstraat 21

Jaantje Koopman was de jongste van zeven kinderen van Abraham Koopman (1849-1907) en Lea Cohen (1861-1941). Tot het gezin behoorde eveneens een oudere halfzus, dochter van Abraham Koopman uit zijn eerdere huwelijk. Toen Jaantje drie jaar was, overleed haar vader. Als gevolg daarvan heeft zij van haar 5e tot haar 18e jaar in het Nederlands Israëlitisch Meisjesweeshuis aan de Rapenburgerstraat 171 gewoond. In het archief daarvan staat als haar beroep genoteerd: lingerienaaister.

Na haar 18e heeft zij als dienstmeisje gewerkt. Vanaf 16 december 1930 tot in de oorlog was dat bij Gerrit, Elisabeth en Mary Polak-Stuiver in Haarlem. Daar stond ze als verkoopster te boek, zodat we vermoeden dat zij niet alleen kinder- en dienstmeisje was maar ook bij Gerrit in zijn winkel heeft gewerkt.

Jaantje is eerder dan haar werkfamilie gearresteerd. Het CABR-dossier waarin iets over haar arrestatie zou staan is echter nog niet openbaar. Jaantje kwam op 5 februari 1943 in barak 55 van Westerbork aan. Met de eerstvolgende trein werd ze vier dagen later naar Auschwitz gedeporteerd, en daar na aankomst vergast.

Alle broers en zussen van Jaantje zijn net als zij ongehuwd en kinderloos gebleven, en net als zij in Auschwitz vermoord, voor zover ze al niet voor de oorlog waren overleden.

Deportatie uit Westerbork op 9 februari 1943.

Vermoord in Auschwitz op 12 februari 1943.

Zij werd 38 jaar.

Vorige
Vorige

Teding van Berkhoutstraat

Volgende
Volgende

Berkenrodestraat