Westerhoutpark  

HANNS ALEXANDER KATZENSTEIN
30 september 1924 (Berlijn-Charlottenburg) –
1 februari 1945 (Langenstein-Zwieberge)

Westerhoutpark 14

Hanns werd in juni 1936, bijna 12 jaar oud, door tussenkomst van de Geheimrat en mede-quaker Berta Pierson naar dit adres van quakers Manfred en Lili Pollatz gebracht. Zijn vader was bankier Walter Katzenstein, directeur van Katzenstein&Co Bankkommissionsgesellschaft; zijn moeder was Pools en heette Maria Bartodzie. Dat Walter in WO-I voor Duitsland had gevochten, vrijwaarde het gezin geenszins van de anti-Joodse maatregelen: in 1938 moest de bank sluiten en werd Walter een tijdje in Sachsenhausen opgesloten.

Manfred en Lili Pollatz hadden, na de opkomst van de nazi’s, in 1934 Dresden verruild voor het Westerhoutpark in Haarlem. De geschiedenis van henzelf, hun vier kinderen en hun tehuis annex onderwijsinstituut is uitvoerig onderzocht en beschreven in Er wacht nog een kind… van Isobel Wijnberg en Anja Hollaender. Ook over alle door de Pollatzen opgevangen kinderen is daarin informatie opgenomen. Er valt over Hanns te lezen dat hij na het afmaken van school werd opgeleid tot schoenmaker. Daarmee droeg hij bij aan de inkomsten van Huize Pollatz, toen de meeste andere inkomstenbronnen waren weggevallen. Op zeker moment werd Hanns in het kader van de Arbeitseinsatz ingelijfd in de Organisation Todt, die (onder veel meer) aan de Atlantikwall in IJmuiden werkte.

Op 29 juli 1944 werd Hanns in IJmuiden gearresteerd, omdat hij zich in een Sperrgebiet had bevonden – een ernstig vergrijp voor een half-Jood. Enkele dagen later is hij in kamp Amersfoort geïnterneerd. Op 25 augustus kwam hij terecht in de strafbarak 67 van Westerbork. Op 13 september werd hij met de allerlaatste deportatietrein uit Westerbork naar Bergen-Belsen gestuurd, en vandaar op 16 december naar Buchenwald. Vanuit Buchenwald werd hij tewerkgesteld in het buitenkamp Langenstein-Zwieberge, dat in april 1944 circa 120 km naar het noorden was opgezet, nabij de Harz. De gevangenen daar moesten een ondergronds systeem aanleggen om een straalmotorenfabriek van Junkers te verbergen voor bombardementen. Het merendeel van de circa 10.000 gevangenen bezweek aan het zware werk en de omstandigheden - de SS vond hen wel sterk genoeg om op de grond te slapen. Hanns hield het 6 weken vol en stierf op 1 februari 1945.

Hanns’ Joodse vader is, na Sachsenhausen, naar Frankrijk gegaan, maar daar later weer opgepakt en vanuit Drancy in augustus 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Zijn moeder en broertje Robert wisten onder te duiken, totdat zij ergens in Silezië door de Russen werden bevrijd.

Deportatie uit Westerbork op 25 augustus 1944.

Vermoord in Langenstein-Zwieberge op 1 februari 1945.

Hij werd 20 jaar.

KLAUS GURAU
12 juli 1925 (Chemnitz) – 5 september 1942 (Auschwitz)

Westerhoutpark 14

Klaus werd in Chemnitz geboren als tweede kind van Gustav Gurau uit Blesen (thans Bledzew in Polen) en Erna Schmitz uit Leipzig. Zijn ouders hadden in Chemnitz een winkel in herenmodeartikelen en handschoenen, aan de Poststraβe. Zijn broer Hans Peter was drie jaar ouder.

In december 1936 kwam Klaus naar Haarlem, waar Dresdeners Manfred en Lili Pollatz aan het Westerhoutpark twee jaar eerder een school en kindertehuis op quakergrondslag hadden geopend. Voorjaar 1938 is Klaus teruggekeerd naar Chemnitz, maar na de Reichskristallnacht waarin de winkel vernield werd, kwam hij opnieuw bij de Pollatzen. Met een korte tussenpoos in Hilversum bleef hij daar, totdat het in 1942 veiliger leek dat hij in huis kwam bij Heinrich Trampusch op de Falckstraat 11 in Amsterdam. Deze Heinrich was een embryoloog, quaker en verzetsman van Oostenrijkse afkomst, die de Pollatzen kende via hun zoon, de geneeskundestudent Karl-Heinz Pollatz. Trampusch hielp hen in meer gevallen met het laten onderduiken Joodse kinderen. Daarvoor is hij door Yad Vashem onderscheiden.

Op 3 augustus 1942 vermeldt het politierapport in Amsterdam dat Klaus, werkend als tuindersknecht in de Sloterpolder, werd opgebracht en naar het hoofdbureau overgebracht. Hij had in de zon zijn jasje met Jodenster uitgetrokken en werd door een buurvrouw aangegeven wegens het niet dragen van de ster. Reeds op 10 augustus werd hij uit Westerbork – waar Manfred Pollatz hem op de 8ste nog had opgezocht – naar Auschwitz gedeporteerd. Manfreds pogingen bij SS-hoofd Aus der Fünten kwamen daarvoor te laat. In Auschwitz is Klaus op 5 september vermoord.

Klaus’ ouders waren in mei 1942 gedeporteerd naar Belzec; zij zijn daar eind 1942 vermoord. Zijn broer Hans Peter begon in oktober 1939 een leven in werkkampen voor Joden, eerst in Paderborn en laatst in Neuendorf. Daarvandaan werd hij in april 1943 gedeporteerd naar Auschwitz en te werk gesteld in de Buna-fabriek van IG Farben in Monowitz. Vlak voor de bevrijding van Auschwitz werd hij overgebracht naar Groβ Rosen en daarna naar Buchenwald, waar hij in april bevrijd werd. Hij emigreerde naar Israël, nam de naam Shimon Giora aan, trouwde er en kreeg twee kinderen.

Deportatie uit Westerbork op 25 augustus 1942.

Vermoord in Midden-Europa, op 5 september 1942.

Hij werd 17 jaar.

MARGOT KOHN
16 november 1927 (Berlijn) – 30 november 1941 (Riga)

Westerhoutpark 14

Margot was, vijf jaar na haar zus Gerda, het tweede kind van de uit Dresden afkomstige koopman Max Kohn en zijn vrouw Else Lindemann uit het Thüringse Könitz. Het gezin woonde in Berlijn-Wilmersdorf. Margot kwam als vluchtelingkind op 4 januari 1939 met een groep van 40 Joodse meisjes tussen de 8 en 17 jaar uit Duitsland in Losser aan. De groep werd daar ondergebracht in het K.L. Smitoord. Nadien heeft ze enkele maanden doorgebracht in Huize Kraaybeek in Driebergen. In april 1940 kwam ze in het Burgerweeshuis van Amsterdam, dat haar plaatste bij de Joodse familie Van Son in Hilversum. Even later, op de dag van de capitulatie bracht deze familie haar echter in Haarlem bij het tehuis en instituut van de familie Pollatz, om vervolgens naar Engeland te ontkomen.

In juni 1940 kwam er een brief uit Berlijn dat Margots moeder ernstig ziek zou zijn. Het gezin stond op de wachtlijst voor emigratie naar Zuid-Amerika, wat vanwege die ziekte nu niet kon doorgaan. In februari 1941 volgde een tweede brief, met het verzoek Margot terug te laten keren naar Berlijn, omdat men was opgeroepen voor arbeidsdienst in het oosten. Manfred Pollatz wist wat dat te betekenen kon hebben, en heeft getracht Margot van terugkeer af te houden – vergeefs, zij had haar familie al zo lang gemist. Op 1 maart vertrok Margot per trein naar Berlijn, begeleid door ‘tante’ Truus Wijsmuller, die anders juist vooral kindertransporten naar Engeland hielp organiseren.

Het gezin Kohn werd uiteindelijk op 27 november 1941 met 1000 andere Joden gedeporteerd naar Riga. De bedoeling was, hen in het ghetto daar onder te brengen, maar dat was nog helemaal vol. De trein stopte vlak voor Riga, waar alle inzittenden de volgende ochtend om acht uur in de vrieskou een naastgelegen bos in moesten lopen. Daar waren kuilen gegraven, waarin Margot, haar zus Gerda, haar ouders en alle mensen in het transport werden doodgeschoten. Later die dag zouden op dezelfde plek nog 12.000 Letlandse Joden uit het ghetto van Riga worden doodgeschoten

Van slechts één tante en nicht van Margot konden we vinden dat zij de oorlog overleefd hebben. Nicht Leonore (Lore) Sieskind verbleef vanaf 1938 een poos in het Joodse werkdorp in de Wieringermeer, en sloot zich in Amsterdam aan bij de verzetsgroep van Joop Westerweel. Via Frankrijk en Spanje wist ze naar Palestina te ontkomen.

Deportatie uit Berlijn op 27 november 1941.

Vermoord nabij Riga, op 30 november 1941.

Zij werd net 14 jaar.

Foto: dokin.nl

Vorige
Vorige

Floraplein